Rampjaar
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
Lodewijk XIV Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over (12 juni 1672), door Adam Frans van der Meulen
|
|
Het Franse leger voor Naarden op 20 juli 1672 door Adam Frans van der Meulen
|
|
De bestorming van Coevorden eind december 1672 door Pieter Wouwerman, de broer van Philips Wouwerman
|
Het jaar 1672 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het Rampjaar. In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen, resp. onder het gezag van Bernard von Galen en Maximiliaan Hendrik van Beieren. De Franse legers konden niet de kortste route door de Spaanse Nederlanden nemen omdat Frankrijk de Oostenrijkse keizer buiten de strijd wilde houden. Daarom waren de bisdommen door de Fransen om logistieke redenen tot bondgenoot gemaakt.[1] De binnenvallende legers trokken op 12 juli 1672 over de Rijn bij Lobith en versloegen het zwakke leger van de Republiek en bezetten snel veel grondgebied in het Landschap Twente en de Achterhoek. Door deze tegenslagen brak paniek uit in de niet bezette delen van de Republiek. Veel bestuurders die aan de kant van de tot dat moment leidende partij van de staatsgezinden stonden, werden gedwongen hun posities af te staan aan prinsgezinden. Dit jaar vormde zo ook het eind van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. De belangrijkste staatsgezinde regent was Johan de Witt. Samen met zijn broer Cornelis verloor hij in dit jaar niet alleen zijn ambt maar ook zijn leven, toen ze door een woedende, door orangistische partijgangers opgezweepte menigte[2] werden vermoord.
Het rampjaar duurde ongeveer 17 maanden volgens Margaretha Turnor.[3] Banken, scholen, winkels, rechtbanken en schouwburgen werden gesloten. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet aan de gevolgen van een heftige crisis. Volgens een beroemd Nederlands gezegde was het volk destijds redeloos, het land reddeloos en de regering radeloos.
[bewerken] Beschrijving
[bewerken] Bestaande situatie in de Republiek
Al tijdens de Tachtigjarige Oorlog hadden er spanningen bestaan tussen aanhangers van een bestuur door de regenten en aanhangers van een bestuur door de prins van Oranje. Deze spanningen waren in 1650 geëscaleerd in de poging van Willem II Amsterdam in te nemen en zo de machtsstrijd in zijn voordeel te beslissen. Na zijn plotselinge dood kwamen zijn tegenstanders, die later de naam staatsgezinden (tegenover prinsgezinden) kregen, weer aan de macht. Volgens hun overtuiging was een stadhouder of koning schadelijk voor de 'Ware Vrijheid'. De postuum geboren zoon van Willem II, nog een zuigeling, werd niet benoemd tot stadhouder en ook het ambt van kapitein-generaal (opperbevelhebber van het leger) bleef onbezet. De Staten van Holland benoemden Johan de Witt, zoon van een regent die door Willem II gevangen was gezet, tot raadpensionaris, het belangrijkste burgerlijke ambt binnen de Republiek. Hoewel lang niet alle bestuurders en provincies 'Staatsgezind' waren, hadden staatsgezinden, zolang er geen grote economische problemen of oorlogen dreigden, de macht stevig in handen. Daarom, en vanwege hun eigen zakelijke belangen, probeerden de regenten oorlogen binnen Europa te vermijden.
[bewerken] Buitenlandse Zaken
Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje had de Republiek een verbond gesloten met Frankrijk. In 1648 hadden Spanje en de Oostenrijkse landen de Republiek erkend en was er vrede gesloten. Frankrijk daarentegen had wel vrede gesloten met Oostenrijk, maar had met Spanje doorgevochten tot 1659.
Volgens de Vrede van de Pyreneeën zou de Franse koning Lodewijk XIV trouwen met een dochter van Filips IV. Maria Theresia zou afzien van haar erfrechten in ruil voor een bruidsschat. Deze bruidsschat werd door de Spanjaarden nooit betaald.
De verhouding tussen de Republiek en Engeland was tijdens deze periode problematisch. De landen waren concurrenten op het gebied van handel en koloniën. In 1651 had dit al tot de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog geleid. In een geheime paragraaf bij de vrede was bepaald dat Holland het ambt van stadhouder geheel zou afschaffen en nooit meer een lid van het Huis van Oranje zou laten benoemen tot kapitein-generaal.
Oliver Cromwell had deze bepaling, de Akte van Seclusie, geëist als reactie op de hulp van Willem II aan diens schoonvader Karel I van Engeland tijdens de Engelse burgeroorlog en wegens de nauwe banden tussen de Stuarts en de Oranjes.
Al was een vermindering van de invloed van de Oranjes de staatsgezinden zeker niet onwelkom, met deze bepaling mengden ze binnenlandse en buitenlandse politiek. De prinsgezinden waren dan ook woedend toen de bepaling later bekend werd.
Na de dood van Cromwell kwam het Huis Stuart weer op de troon (Karel II van Engeland). De geheime clausule uit het verdrag werd geschrapt, maar de bepalingen van de vrede die nadelig waren voor de Nederlandse handel niet, zoals het respecteren van de Acte van Navigatie. De onenigheden tussen de beide Noordzeelanden laaiden opnieuw op en de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog volgde. Na de vorige oorlog had Johan de Witt de vloot behoorlijk versterkt ten koste van het landleger van de Republiek. Met deze vloot en hulp van de Fransen, met wie opnieuw een bondgenootschap was aangegaan, wist de Republiek Engeland en zijn bondgenoot Münster te verslaan.
De hulp van Frankrijk tijdens deze oorlog had voornamelijk bestaan uit diplomatieke druk. Frankrijks leger en vloot waren nauwelijks in actie geweest. Tijdens de vredesonderhandelingen bleek waarom. Na de dood van Filips IV claimde Lodewijk XIV een deel van de erfenis voor zijn vrouw. Volgens plaatselijk recht in delen van de Spaanse Nederlanden gaat het erfdeel van dochters uit een eerder huwelijk vóór het erfdeel van zonen uit latere huwelijken. Lodewijk XIV legde dit zo uit dat zijn vrouw de Spaanse Nederlanden zou erven, omdat zij uit het eerste huwelijk van Filips kwam en zijn opvolger Karel II van Spanje een zoon was uit Filips' tweede huwelijk. Om de argumenten kracht bij te zetten viel Frankrijk de Spaanse Nederlanden binnen (Devolutieoorlog).
Deze ontwikkelingen waren tegen de belangen van de Republiek. Een militair sterk land als Frankrijk aan de zuidgrens zou een veel groter gevaar zijn voor de Republiek dan het zwakke Spanje.
Om Frankrijk te stoppen sloot Johan de Witt de Triple Alliantie met Engeland en Zweden. Officieel was dit een bondgenootschap dat zou bemiddelen in de oorlog tussen Spanje en Frankrijk, maar in geheime onderdelen verbonden de partners zich om geweld te gebruiken als een van beide landen (lees Frankrijk) geen vrede zou willen.
[bewerken] Renversement des Alliances
Frankrijk en Spanje sloten op 2 mei 1668 de Vrede van Aken, maar doordat de geheime clausules van de Triple Alliantie bekend raakten, voelde Lodewijk XIV zich beledigd door de Republiek. Onmiddellijk na de vrede nam hij stappen om de Republiek te isoleren. Zweden en Münster werden snel omgekocht maar de Engelse publieke opinie was wantrouwig ten opzichte van Lodewijk XIV. Maar voor de Engelse koning Karel II kon een oorlog tegen de Republiek wel in zijn voordeel uitwerken. De oorlog zou vermoedelijk leiden tot de val van de staatsgezinde regering. Hierdoor zou zijn neef Willem III de macht krijgen en de oorlog bood mogelijkheden om het Nederlandse handelsmonopolie te vernietigen.
Na bemiddeling van Henriëtte Anne, Karels zuster die de echtgenote was van Filips van Orléans, sloten Engeland en Frankrijk het Traktaat van Dover, een geheime offensieve alliantie. Frankrijk zou de Generaliteitslanden krijgen plus nog enkele delen in het zuiden; Münster en Keulen zouden delen in het oosten krijgen. Engeland zou enkele kuststeden krijgen en Willem III zou benoemd worden als Soeverein Prins onder de protectie van Karel II. Lodewijk beloofde ook Karel te voorzien van subsidies waarmee deze zou kunnen regeren zonder het parlement te hoeven raadplegen.
[bewerken] Aanloop tot oorlog
De Nederlanders waren op de hoogte van de onderhandelingen tussen Fransen en Engelsen maar details waren niet bekend. Johan de Witt rekende erop dat de publieke opinie in Engeland tegen een oorlog met een protestantse natie zou zijn en bovendien Lodewijk XIV niet zou vertrouwen. Verder deed De Witt moeite om de relatie met Frankrijk te verbeteren, middels de gezant Pieter de Groot. De Republiek en Frankrijk hadden eigenlijk geen tegengestelde belangen, behalve inzake de Zuidelijke Nederlanden. Frankrijk zag de Rijn als zijn natuurlijke grens en tussen de Rijn en Frankrijk lagen de Spaanse Nederlanden en de Generaliteitslanden, een deel van de Republiek. Volgens de Franse ambassadeur Godefroi d'Estrades waren de Nederlanders algemeen in hun oordeel "Gallicus amicus, non vicinus"; de Galliër als vriend, niet als buur. De Republiek had een sterke vloot maar maakte te weinig voorbereidingen voor het leger. Redenen hiervoor waren geldtekort en gebrek aan vertrouwen in het leger dat in het verleden een wapen in de handen van de stadhouders was geweest. Steeds meer tekenen wezen echter in de richting van oorlog.
[bewerken] Oorlog
In maart 1672 viel de Engelse vloot een van de Levant terugkerend Nederlands handelskonvooi aan. In april volgde de oorlogsverklaring. Frankrijk en de bisdommen Keulen en Münster volgden eind mei, nadat de troepen onder het bevel van de Zonnekoning Maastricht links hadden gelaten. De Markies van Turenne, Condé en Luxembourg werkten in 1672 samen om de Republiek te veroveren. Op 17 mei lag het Franse leger voor Visé aan de Maas. De aanvoerders waren het oneens of Maastricht, dat goed te verdedigen was, aangevallen moest worden.[4] Turenne was tegen en liet 10.000 man achter als rugdekking. In plaats van door de Zuidelijke Nederlanden te trekken, trok het Franse leger via het prinsbisdom Luik en het prinsbisdom Keulen om de de verdedigingslinie van de Republiek heen. Op 28 mei was Condé gevorderd tot Kaiserswerth en op 12 juni stond het leger voor Lobith, klaar om de Rijn over te steken. Condé raakte gewond tijdens de oversteek.[5] Turenne nam het commando over en splitste het leger in tweeën. Zowel Arnhem als Nijmegen werden belegerd. Lodewijk XIV trok naar Doesburg, zijn broer Philippe naar Zutphen. Grol en Deventer werden belegerd door de Duitse bisschop Bernard van Galen. Bij de IJssel kwam het tot een veldslag die de Fransen gemakkelijk wonnen. Nu lag het hele grondgebied van de Republiek open. Onder zware druk van de angstige publieke opinie ging De Witt akkoord met de benoeming van Willem III als kapitein-generaal voor de duur van één veldtocht.
Op 19 juni viel Naarden; 30 juni lagen de Fransen voor Gorkum. De Nederlandse vloot had ondertussen de verenigde Engels-Franse vloot verslagen in de Slag bij Solebay. De hertog van Luxembourg nam het commando van Condé over. Na anderhalve maand kwam een fase van stilstand in de Hollandse oorlog, maar in de steden van Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland was de paniek compleet.
In veel plaatsen kwam het tot oproer en relletjes tegen de regenten. Het volk wenste de benoeming van de prins van Oranje en bestraffing van degenen verantwoordelijk voor de oorlog en de staat van het leger. Beschuldigingen van verraad waren niet van de lucht. Onder deze druk viel de regering. Johan de Witt en 130 andere staatsgezinde regenten zoals Andries de Graeff, zijn neef Pieter de Graeff, Hans Bontemantel en Lambert Reynst in Amsterdam en Pieter de Groot in Rotterdam namen ontslag en werden vervangen door prinsgezinde regenten.[6] Een van de eerste handelingen van Willem III was verwijderen van het woord 'eervol' in de ontslagverlening aan Johan de Witt.
[bewerken] Moord op de gebroeders De Witt
De woede van het volk was nog niet tevreden gesteld met de machtsovername en zocht een doelwit. In augustus werd Cornelis de Witt, de minder talentvolle en nog minder populaire broer van Johan de Witt gevangen gezet op beschuldiging van verraad. Toen Johan de Witt zijn broer kwam bezoeken, verzamelde een menigte zich rond de gevangenis. Kort daarop werd de militie die de gevangenis bewaakte weggestuurd om een groep plunderende boeren te stoppen. De plunderende boeren werden niet gevonden. Het einde kwam voor de gebroeders De Witt toen de menigte de gevangenis bestormde. De broers werden naar buiten gehaald en vermoord waarna hun lijken ernstig werden verminkt. Vingers, tenen en geslachtsdelen werden afgehakt en opgegeten.
De namen van enkele moordenaars waren bekend maar zij werden beschermd en in sommige gevallen beloond door de prins. Volgens sommige bronnen was Cornelis Tromp, een vijand van Johan de Witt en partijganger van de prins tijdens de moord present. Tegenwoordig vermoeden de meeste historici dat er een complot was om de moorden te plegen en dat Willem III op zijn minst hiervan op de hoogte was.
[bewerken] De Waterlinie en het vervolg van de oorlog
De Fransen waren opgerukt van de IJssel tot in Utrecht. Daar begonnen onderhandelingen over vrede. Frankrijk zou de gebieden ten zuiden van de Waal krijgen, Engeland zou Walcheren krijgen en enkele steden aan de kust, en Keulen en Münster wat gebied in het oosten. Karel en Lodewijk hadden bedoeld dat Willem III als prins zou regeren over een overblijfsel van de Republiek. Ook moest er veel geld worden betaald en de katholieken volledige godsdienstvrijheid worden gegeven, anders zou Frankrijk Utrecht en heel Gelderland houden. Deze eisen waren zo hoog dat ze afgewezen werden en de Republiek in haar verzet sterkten.
Met 30.000 man bezette hij Utrecht. De vroedschap had de keuze passief af te wachten of de vijand haar diensten aan te bieden en zodoende in ieder geval enige invloed (...) te kunnen uitoefenen. De inkwartiering werd een zware last en de regenten stonden aan alle dagen bloot aan afpersing. De Prins van Condé had het kasteel bij Amerongen verlaten en had vervolgens zijn intrek genomen in het huis van oud-burgemeester Johan van Nellesteyn aan het Janskerkhof in Utrecht.[7] Joan Huydecoper van Maarsseveen wist de Luxembourg af te kopen en stuurde hem twee kimono's. In tabak bleek hij niet geïnteresseerd.[8] De stad Utrecht was aan de vijand ten prooi gegeven. Tijdens de onderhandelingen was Willem III de toegang tot de stad Utrecht geweigerd en had zich teruggetrokken achter de Hollandse Waterlinie.
[bewerken] Bernhard von Galen
[bewerken] Na het Gronings Ontzet
Albertine Agnes van Nassau liet krachtig optreden toen de Linde-linie langs de noordzijde van het riviertje de Linde te zwak bleek. Onder leiding van luitenant-admiraal baron Hans Willem van Aylva ging het er rond de schansen van deze Friese waterlinie soms heftig aan toe. Bommen Berend slaagde er in tot vlak voor de stelling Heerenveen te komen, maar die was versterkt met een aarden wal en dubbele grachten. De bezetting bestond uit burgercompagnieën: schutters uit Leeuwarden en Franeker, en geregelde troepen, allen onder het bevel van graaf Johan Maurits van Nassau-Dietz, die veel last had van rheumatiek, stadhouder Hendrik Casimir II, generaal Carl von Rabenhaupt en Van Aylva zelf. De Münstersen vielen in de nacht van 18 op 19 augustus 1672 tot driemaal toe aan, maar ze werden steeds gestopt. Daardoor konden ze Friesland niet verder binnendringen. Op 2 september 1672 werd Blokzijl bijgestaan door Friese troepen en een Hollandse vloot; de bisschop trok zich terug.
Op het diplomatieke front was de Republiek erin geslaagd om Brandenburg-Pruisen, het Heilige Roomse Rijk en Spanje aan haar zijde te krijgen. De Keulse en Munsterse bisschoppen hadden 30.000 man ingezet, maar haalden hun troepen terug toen Grote Keurvorst en Raimondo Montecuccoli zich in september 1672 bij Halberstadt verzamelden en de mogelijkheid bestond dat zij in de rug werden aangevallen. De Munstersen vertoefden niettemin geruime tijd in Staphorst en omstreken, zodat zelfs de kerk van dat dorp bijna een jaar tot uitoefening van de Roomse eredienst werd gebruikt. Men mag dus veronderstellen dat het fort gedurende die tijd door de vijand niet onbezet werd gelaten, te meer daar hij van hier telkenmale strooptochten in Drenthe en op de grenzen van Friesland deed.[10]
Winschoten werd op 7 september prijsgegeven; Oudeschans capituleerde 27 oktober voor de bisschop. Coevorden werd eind december 1672 opgegeven en bij dichte mist werden 600 Münsterse soldaten gevangen genomen en 85 kanonnen vielen in handen van Rabenhaupt. In januari 1673 liet Von Galen zijn troepen het Brandenburgse Mark en Kleef plunderen en ontmoette bij Wesel de troepen van Turenne. Von Galen verzamelde zijn troepen bij Soest. Raimondo Montecuccoli begon onderhandelingen met de prins-bisschop. De keizerlijke en Brandenburgse troepen trokken naar het zuiden, met de opdracht het bisdom Munster, de eerdere bondgenoot, te sparen.[11]
[bewerken] Maarschalk de Luxembourg
François Henri de Montmorency-Bouteville nam het commando van Condé, die zwaar gewond was geraakt aan zijn hand over. De Maarschalk de Luxembourg, die tot genoegen van zijn manschappen kastelen langs de Vecht liet plunderen, had eind 1672 schoon genoeg van zijn verblijf in de ondergelopen polders. Condé, lijdend aan podagra, nam tegen zijn zin het bevel weer over. De Markies van Louvois gaf hem de opdracht wreed en onbarmhartig te zijn en zoveel mogelijk in brand te steken.[12]
Lodewijk XIV had 20.000 man mee teruggenomen naar Frankrijk. Luxembourg hield nog 40.000 man over.[13] In de zomer werden de verrichtingen van het Franse leger minder spectaculair en zijn manschappen verveelden zich. De Fransen bliezen aan de Rijn en de Vecht veel kastelen op, zoals Kasteel Nijenrode. In september trok hij Lexmond, Capelle en Benschop binnen; drie dagen later naar Hilversum, Loosdrecht en Eemnes. Luxembourg liet zich weglokken voor Naarden en versloeg prins Willem III bij een aanval op het door de Fransen bezette Woerden (12 oktober). Luxembourg moest 15.000 man afstaan aan Turenne, die zich opstelde tussen Wesel en Koblenz, langs de Rijn. Het Staatse leger onder bevel van de stadhouder bedreigde Charleroi; Luxembourg bedreigde eind december 's-Gravenhage, en stuitte op de oude Hollandse Waterlinie bij Zegveld. Nadat hij Zwammerdam en Bodegraven had laten uitmoorden, keerde hij terug naar Woerden. Wat er volgde was een propaganda-oorlog en uit zijn eigen gelederen kwam kritiek over zijn handelswijze.
De Fransen konden hun opmars niet doorzetten en trokken zich terug tot de Piéton.
[bewerken] Gevolgen
De verkoop van de bouwpercelen kwam vrijwel stil te liggen in het Rampjaar, toen het land rondom de stad Amsterdam werd geïnundeerd. Het duurde een tiental jaar voordat de investeringen weer opgang kwamen. Al die tijd lagen in de Vierde Uitleg van Amsterdam bouwpercelen braak. De ervaringen van het Rampjaar hadden aanzienlijke invloed op de richting van de buitenlandse politiek van de Republiek. Willem III zou het als zijn levenstaak zien om de Republiek en Europa te verdedigen tegen Franse hegemoniale aanspraken. In alle oorlogen van Lodewijk XIV zouden de Nederlanders zijn tegenstanders steunen.
Referenties
|
[bewerken] Literatuur
- Bowen, Marjorie. The William and Mary Trilogy, Vol. 1: I Will Maintain. Alberta: Inheritance Publications, 1993. pp. 353–359, 382.
- Dreiskämper, Petra. Redeloos, radeloos, reddeloos: de geschiedenis van het rampjaar 1672 (Hilversum 1998)
- Kenneth Harold Dobson Haley. An English diplomat in the Low Countries : Sir William Temple and John de Witt, 1665-1672 (Oxford 1986)
- Herbert H. Rowen. John de Witt, Statesman of the "True Freedom" (Cambridge, 1986)
- Panhuysen , L. (2009). Rampjaar 1672 : hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (nl) . NL: Atlas. blz. 400. ISBN 9789045013282.