Koning der Nederlanden
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Koning der Nederlanden is een vorstelijke titel waarmee volgens de Nederlandse Grondwet de monarch (en daarmee het staatshoofd) van het Koninkrijk der Nederlanden wordt aangeduid.
Inhoud |
[bewerken] Titel
De grondwettelijke "Koning" kan zowel een koning als een koningin zijn. De echtgenote van het mannelijk staatshoofd kan koningin genoemd worden omdat het maatschappelijk gebruik en de tradities van vorstenhuizen bepalen dat gehuwde vrouwen de titels van hun man kunnen voeren.[1] Omdat traditie en maatschappelijk gebruik iets dergelijks niet bepalen voor de echtgenoot van een een vrouwelijk staatshoofd, en om verwarring met het grondwettelijke begrip "Koning" te voorkomen, wordt de echtgenoot van een vrouwelijk staatshoofd geen koning genoemd, maar krijgt deze in Nederland over het algemeen de persoonlijke titel "prins der Nederlanden".
[bewerken] Functie
In het Nederlands staatsbestel heeft de Koning een dubbele functie: als staatshoofd en als deel van de regering. Enerzijds is hij staatshoofd. Als zodanig legt de Koning staatsbezoeken af en ontvangt hij ambassadeurs. Ook de benoeming van een informateur of formateur kan men als een staatshoofdelijke taak beschouwen. Als staatshoofd symboliseert de Koning de eenheid van de staat.
Daarnaast maakt de Koning deel uit van de regering. Samen met de ministers vormt hij de Kroon. De Koning symboliseert de eenheid van de regering. In die hoedanigheid is de Koning degene die wetten bekrachtigt, ministers en burgemeesters benoemt. In deze rol is in het algemeen een contraseign van een minister of staatssecretaris vereist.
[bewerken] Koningen der Nederlanden
De eerste koning was Willem I der Nederlanden, prins van Oranje-Nassau. Hij werd in maart 1815 koning en was al vanaf 1813 soeverein vorst der Nederlanden. Het koningschap is erfelijk en erfde tot 1887 over volgens het semi-salische erfopvolgingsstelsel. In 1887 werd het Castiliaanse stelsel van kracht. In 1923 werd de opvolging beperkt tot in de derde graad van bloedverwantschap ten opzichte van de regerende koning. In 1983 werd de absolute primogenituur als erfopvolgingsstelsel ingevoerd.
Het Koninkrijk der Nederlanden heeft tot nog toe de volgende staatshoofden gehad:
| Willem I | 1815–1840 |
| Willem II | 1840–1849 |
| Willem III | 1849–1890 |
| Emma | 1890-1898, als Koningin-regentes der Nederlanden |
| Wilhelmina | 1890–1948 |
| Juliana | 1948–1980 |
| Beatrix | 1980–heden |
Sinds 1980 is Beatrix in grondwettelijke zin Koning der Nederlanden. Volgens de Wet van 22 juni 1891, betreffende de wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiële benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op een Koningin[2], dient "zoolang eene Koningin de Kroon draagt" het woord "Koningin" gebruikt te worden in plaats van "Koning".
[bewerken] Kritiek
De Koning neemt na Tweede Kamerverkiezingen het initiatief voor de kabinetsformatie. Mede omdat niet duidelijk is wat er gebeurt tijdens die formatie en de Koning niet democratisch is gekozen, bestaat hierover kritiek.
[bewerken] Zie ook
- Nederlandse monarchie (Huis Oranje-Nassau) - in dit artikel is een historisch overzicht van de Koningen van Nederland opgenomen, alsmede een overzicht van de huidige erfopvolgers.
- Lijst van koningen der Nederlanden
- Koninklijk Huis (Nederland)
Referenties
|