Metaalindustrie
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Met metaalindustrie wordt een industrie bedoeld die ruwe metalen, gewoonlijk gewonnen uit ertsen, bruikbaar maakt voor techniek en praktische toepassingen. De industrie vindt in feite haar oorsprong in de vervaardiging van gereedschappen, gebruiksartikelen, sieraden en wapens, zoals dat sinds de bronstijd en ijzertijd plaatsvindt.
Inhoud |
[bewerken] Oorsprong
De oorsprong van de metaalindustrie is gelegen in de oudste metaalbewerking. Al heel vroeg in de beschaving leerde men uit erts metaal te winnen. Metalen komen slechts zeldzaam in pure vorm in de natuur voor. De meeste metalen komen voor in de vorm van ertsen (oxides, sulfides en sulfaten van het metaal). De eerste metaalproducten waren wapens en gebruiksvoorwerpen van brons (een legering van koper en tin)[bron?]. In de loop der tijd werden de technieken om ook andere metalen te gebruiken verfijnder en maakte men vooral gebruik van ijzer. Dit leidde tot de technische wetenschap metallurgie. Edelmetalen als goud en zilver werden ook gebruikt. Vanaf de middeleeuwen probeerden alchemisten kunstmatig edelmetalen (waaronder goud) te maken. Op de manier waarop de alchemisten dat trachtten is dat onmogelijk, maar door hun experimenten legden de alchemisten de basis voor de hedendaagse chemische wetenschap.
De metaalindustrie ontwikkelde zich in Europa in eerste instantie op plaatsen waar ijzererts in de grond werd gevonden. Zo de omgeving van Neurenberg in Beieren, het graafschap Vianden, de omgeving van Luik en de Engelse Midlands. Pas door het treinvervoer kon de metaalindustrie zich op andere plaatsen vestigen.
In Nederland kwam slechts ijzeroer voor, bijvoorbeeld[1] in de IJsselstreek. Daar ontstonden in de 18e eeuw enkele ijzergieterijen/hoogovens, waarvan die in Deventer de grootste was. Een veel langere levensduur was echter die in Ulft beschoren: DRU bestaat al sinds 1754.
De belangrijkste metalen binnen de industrie waren koper, tin en zink en later ijzer. IJzer werd gebruikt om staal mee te produceren.
[bewerken] Industriële revolutie
De grootste ontwikkeling werd vanaf de 18e eeuw doorgemaakt in Groot-Brittannië. Hier vond de industriële revolutie plaats die mede tot gevolg had dat metalen sneller en verfijnder technische toepassingen kregen. Met name de textielindustrie was de eerste die hier van profiteerde.
In de jaren-1790 haalde de Belgische lakenwever Iwan Simonis de Engelse machinebouwer William Cockerill naar Verviers om er zijn fabriek te moderniseren. De Engelsman zag echter meer mogelijkheden in het kolenrijke gebied, en zijn zonen John en James bouwden er met steun van koning Willem I der Nederlanden in Luik een complex van hoogovens, mijnen en fabrieken. Ook in de haven van Antwerpen kwam de metaalindustrie op.
De metaalindustrie als zelfstandige industrie nam een grote vlucht tijdens de industriële revolutie. Dankzij het gebruik van stoomkracht werd het gemakkelijker grote industrieën draaiende te houden. Het was in deze tijd dat de grote metaalindustrieën in de wereld opkwamen.
Nadat men oorspronkelijk slechts ijzer in de hoogovens produceerde, kwam al snel de behoefte aan andere metalen voor de zich ontwikkelende vervoersindustrieën, zoals schepen, auto's en tenslotte ook vliegtuigen. Aanvankelijk vervaardigde men smeedijzer, door het gewone ijzer te 'poedelen'; het smelten in een refebereeroven waardoor koolstof verwijderd werd en een grijze massa overbleef. Door hameren of pletten maakte men ijzeren platen of staven. De techniek om staal te maken was al oud, maar pas sinds de industriële revolutie werd dit een gemechaniseerd proces en vervaardigde men staal op grotere schaal. Een baanbreker in dit procedé was de Brit Henri Bessemer die zijn naam gaf aan het Bessemer-procedé. Een ander bekend procedé was dat van Siemens-Martin die er in slaagde om schroot en ruw ijzer om te zetten in eersteklas staal. Later kwam de elektrische oven in zwang waarmee men in staat was om chroom, wolfraam en molybdeen te vervaardigen. Dit staal werd vooral toegepast voor (snij)werktuigen zoals boren
Door de ontwikkeling van spoorwegen en scheepvaart werd de metaalindustrie vanaf de tweede helft van de 19e eeuw minder gebonden aan de gebieden waar ijzererts en steenkool werden gedolven. Ook op plaatsen zonder grondstoffen ondstond bedrijvigheid. Een voorbeeld hiervan is het Nederlandse bedrijf Hoogovens dat zich begin twintigste eeuw vestigde in IJmuiden.
[bewerken] Twintigste eeuw
In 1960 produceerden de Verenigde Staten, de toenmalige Sovjet-Unie en West-Europa 85% van de totale gietijzer- en staalproductie. De Verenigde Staten alleen leverden 65% van de auto's en de helft van de machinebouw in de wereld. De Canadese metaalindustrie kwam in ontwikkeling en enkele staten in Zuid-Amerika kwamen na de laatste wereldoorlog in opmars.
West-Europa bezat heel lang de eerste plaats in de metaalindustrie, dankzij Engeland dat op het einde van de 19e eeuw 45% van het gietijzer in de wereld produceerde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdween de heerschappij van Europa op dit gebied. De na de Tweede Wereldoorlog ontstane Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) streefde ernaar, het evenwicht tussen Europa, de Verenigde Staten en Rusland te herstellen.
De landen die heden ten dage veel metalen leveren, zijn Brazilië, Suriname (vooral aluminium, gewonnen uit bauxiet), China en Canada. Ook Afrikaanse landen leveren veel metalen, met name zeldzame aarde-elementen als vanadium en wolfraam. Deze elementen worden vooral gebruikt bij de productie van mobiele telefoons.
[bewerken] Gevolgen
Naast de economische opleving die landen met een metaalindustrie doorgemaakt hebben, zijn er ook andere gevolgen. Met name een milieukundige belasting is merkbaar in landen waar metalen geproduceerd dan wel verwerkt worden. Mijnen waar metalen gewonnen worden, zoals in Zimbabwe, Chili en Australië kampen met milieuverontreinigingen.
[bewerken] Referenties
- ↑ (nl) IJzeroer in Nederland