Heer (feodalisme)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De heer, soms ook wel vrouwe, was in het Ancien Régime de heerser van een heerlijkheid. Hij was doorgaans een leenman van het landsheerlijke gezag boven hem. In de Nederlanden kon dat een graaf, een hertog, een prins-bisschop of een vorst-abt zijn. In het geval dat de keizer direct boven de heer stond en deze dus geen hiërarchische binding had met een "tussenliggende heerschappij", spreken we van een bannerheer of ook wel van een "rijksonmiddellijke heerlijkheid". Dit waren vaak zeer machtige personen die zich met succes wisten te verzetten tegen de invloed van de hertog of de graaf van het omringende gebied en zo hun onafhankelijkheid wisten te bewaren.
Eén van de weinig volledig zelfstandig gebleven heren was die van Ravenstein. Een andere ontwikkeling kende de zelfstandig gebleven heerlijkheid Mechelen, waar uiteindelijk door overerving de keizer zelf ook heer van Mechelen werd. Iets soortgelijks gebeurde nadat de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke heerschappij had overgedragen aan Karel V. Utrecht, Groningen en Overijssel werden ook heerlijkheden met de keizer zelf als heer. Deze "hoge" heerlijkheden gingen bij de afzwering van de Spaanse koning over op de Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën.
Na de afschaffing van het Ancien Régime, dit is bij de annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden of bij de instelling van de Bataafse Republiek in 1795, werden alle heerlijke rechten opgeheven. Zeer gedeeltelijk werden die onder koning Willem I weer hersteld, zoals het jachtrecht en het visrecht. Het overheidsgezag (het recht om functionarissen te benoemen) verloor de heer definitief in 1830 bij de invoering van de Belgische Grondwet of in 1848 bij de invoering van de Nederlandse gemeentewet. Het feitelijke einde van de heerlijke rechten werd in Nederland bewerkstelligd in 1923 door de afschaffing van genoemde heerlijke wildrechten. Daarna voerden velen nog wel een herentitel, maar feitelijk was hier slechts sprake van de titel van titulair heer.