P.C. Hooft-prijs
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De P.C. Hooft-prijs[1] is een van de belangrijkste literatuurprijzen in het Nederlandse taalgebied. De oeuvreprijs wordt jaarlijks afwisselend toegekend voor proza, essays en poëzie.
[bewerken] Achtergrond
De P.C. Hooft-prijs is een in 1947 ingestelde staatsprijs. In dat jaar werd de 300e sterfdag van Pieter Corneliszoon Hooft herdacht. De prijs wordt jaarlijks toegekend door de onafhankelijke Stichting P.C. Hooft-prijs. Tot 1955 werd de prijs voor specifieke werken toegekend. Daarna werd het een oeuvreprijs waaraan een geldbedrag van 60.000 euro verbonden is.
De relatie tussen de staat en de onafhankelijke stichting kwam onder druk te staan in 1984 toen Hugo Brandt Corstius door de jury voor de prijs werd voorgedragen. De toenmalige CDA-minister van Cultuur Elco Brinkman weigerde de prijs uit te reiken aan Brandt Corstius, omdat deze zich in zijn ogen geregeld ongepast uitliet over de toenmalige regering en premier Ruud Lubbers. Als gevolg van deze rel is de prijs twee jaar niet toegekend. In 1987 werd de prijs opnieuw toegekend aan Hugo Brandt Corstius. De gedenkpenning die hoort bij de prijs van 1984 is in januari 2005 door staatssecretaris Medy van der Laan geschonken aan het Letterkundig Museum. Dit omdat volgens Van der Laan de prijs inmiddels deel is geworden van onze literaire geschiedenis en daarom in het museum thuishoort.
[bewerken] Gelauwerden
- 1947 - Amoene van Haersolte voor Sophia in de Koestraat
- 1947 - Arthur van Schendel voor Het oude huis
- 1948 - A.M. Hammacher voor Eduard Karsen en zijn vader Kaspar
- 1949 - Gerrit Achterberg voor En Jezus schreef in 't zand
- 1950 - Simon Vestdijk voor De vuuraanbidders
- 1951 - E.J. Dijksterhuis voor De mechanisering van het wereldbeeld
- 1952 - J.C. Bloem voor Avond
- 1953 - F. Bordewijk voor Studiën in de volksstructuur en De doopvont
- 1954 - L.J. Rogier voor In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853 (hoofdstukken I, II, IV)
- 1955 - Adriaan Roland Holst voor Late telgen
- 1956 - Anna Blaman
- 1957 - Pieter Geyl
- 1958 - Pierre Kemp
- 1959 - niet uitgereikt
- 1960 - Victor E. van Vriesland
- 1961 - H.W.J.M. Keuls
- 1962 - Theun de Vries
- 1963 - F.G.L. van der Meer
- 1964 - Leo Vroman
- 1965 - niet uitgereikt
- 1966 - Anton van Duinkerken
- 1967 - Lucebert
- 1968 - Gerard Kornelis van het Reve
- 1969 - niet uitgereikt
- 1970 - Gerrit Kouwenaar
- 1971 - Willem Frederik Hermans (prijs geweigerd)
- 1972 - Abel J. Herzberg
- 1973 - Hendrik de Vries
- 1974 - Simon Carmiggelt
- 1975 - Rudy Kousbroek
- 1976 - Remco Campert
- 1977 - Harry Mulisch
- 1978 - Cornelis Verhoeven
- 1979 - Ida Gerhardt
- 1980 - Willem Brakman
- 1981 - Karel van het Reve
- 1982 - M. Vasalis
- 1983 - Hella S. Haasse
- 1984 - niet uitgereikt
- 1985 - niet uitgereikt
- 1986 - niet uitgereikt
- 1987 - Hugo Brandt Corstius
- 1988 - Rutger Kopland
- 1989 - Jan Wolkers (prijs geweigerd)
- 1990 - Kees Fens
- 1991 - Elisabeth Eybers
- 1992 - Anton Koolhaas
- 1993 - Gerrit Komrij
- 1994 - J. Bernlef
- 1995 - A. Alberts
- 1996 - K. Schippers
- 1997 - Judith Herzberg
- 1998 - F.B. Hotz
- 1999 - Arthur Lehning
- 2000 - Eva Gerlach
- 2001 - Gerrit Krol
- 2002 - Sem Dresden
- 2003 - Herman ter Balkt
- 2004 - Cees Nooteboom
- 2005 - Frédéric Bastet
- 2006 - H.C. ten Berge
- 2007 - Maarten Biesheuvel
- 2008 - Abram de Swaan
- 2009 - Hans Verhagen
- 2010 - Charlotte Mutsaers
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ Zowel het Letterkundig Museum, waar de prijs jaarlijks wordt uitgereikt, als de Stichting P.C. Hooft-prijs schrijven in de naam van de prijs een koppelteken.