Logger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Reaper in sail.jpg

De logger was een zeevissersvaartuig dat in 1866 voor het eerst in Nederland werd geïntroduceerd en daar in gebruik werd gesteld voor de vleetvisserij op haring. De man die het schip naar Nederland haalde, was de Scheveningse reder Adrien Eugène Maas.

Hij was van mening dat de, toen voor de zeevisserij gebruikte, plompe bomschuit een te traag zeilschip was. Ze was voor de plaatselijke vleetvisserij, die sterk in opkomst was, niet goed bruikbaar. Maas liet daarom in Boulogne sur Mer (Frankrijk) een ranker, en dus sneller, vissersvaartuig bouwen naar een Frans scheepsmodel dat daar lougre werd genoemd. In Nederland werd het geïntroduceerde vaartuig al spoedig aangeduid als logger. Het schip was expliciet bestemd voor de Noordzeevisserij op haring. Daarvoor waren speciale haringnetten in gebruik.

De nieuwgebouwde (zeil)logger betrof een driemaster die de naam "Scheveningen" en het registratienummer SN 1 kreeg. De letteraanduiding SN voor Scheveningen zou later wijzigen in SCH. Aangezien Scheveningen - evenals alle andere Noordzeedorpen - nog geen haven telde, werd de nieuwe aanwinst in Vlaardingen gestationeerd.

Nog in hetzelfde jaar bestelde Maas twee nieuwe zeilloggers bij Vlaardingse scheepswerven. Deze schepen kregen de namen "Hollander" en "Arnoldine Marie" en liepen op 4 april 1867 van stapel.

De afmetingen van de eerste logger waren:

  • lengte 17 meter,
  • breedte 5,55 meter,
  • diepte 2,40 meter en
  • inhoud 45 à 50 ton.

[bewerken] Tuigage

Logger

De eerste logger had een masttuigage en emmerzeilen zoals die in Frankrijk veel werden gebruikt. Bij de Nederlandse vissers viel deze tuigage niet in de smaak. Al spoedig ging men over op het zogenaamde kottertuig: een voor- of fokkenmast en een bezaanmast, beide met gaffelzeilen. Er is geen scheepstype aan te wijzen waaraan in de loop van de jaren zoveel is veranderd.

In 1910 namen 501 zeilloggers deel aan de haringvangst. Scheveningen stond aan kop met 185 loggers. In 1920 telde men 493 zeilloggers en 29 motorloggers; in 1930 ging het om nog slechts twee zeilloggers en 229 motorloggers. In dat jaar voeren de laatste zeilloggers uit ter haringvangst.

Verklaring van de nummering in de tekening hiernaast:

[bewerken] Indeling

De indeling van de logger was geheel afgestemd op de vleetvisserij: die betrof het vangen, verwerken en aanvoeren van pekelharing. Bovendien moest worden gerekend op een wekenlang verblijf van de bemanning op zee. De volgende ruimten en ruimen waren aanwezig op een logger: het verblijf voor de lagere bemanning, de droogruimte, de tier- of laadruimen voor de tonnen, de nettenruimen, het reepruim en het verblijf voor de schipper en de stuurman. Geheel voorin was het kabelgat: een ruimte voor de ankerketting. Het kabelgat, met de daaronder gelegen voorpiek, was versterkt met waterdichte schotten ofwel het aanvaringsschot.

Het verblijf van de lagere bemanning, ook wel het vooronder of voorin genoemd, was berekend op 10 á 11 mannen. Dit was exclusief de schipper en de stuurman; deze hadden hun verblijf in het zogeheten achterin. In het vooronder werd eveneens gekookt; er was geen sprake van een apart kombuis. Nadat men was overgegaan van de zeillogger op de motorlogger, voegde zich een motordrijver of monteur bij de bemanning. Deze verbleef echter bij de schipper en de stuurman achterin.

In de laadruimen werden op de heenreis de lege, alsook de met zout gevulde tonnen opgeslagen. Op de terugreis was het zout geheel of goeddeels verbruikt (verzouten); per vier tonnen of kantjes haring was standaard één ton of vat zout gebruikt. Alle aan boord zijnde tonnen waren nu gevuld met de gekaakte en gezouten haring en daarna opgeslagen in de laadruimen. De droogruimte was bedoeld voor de opslag van proviand.

[bewerken] Bemanning

Er bestond een klein verschil in aantallen bemanningsleden waar het om de verschillende vissersplaatsen gaat. Het eerdergenoemde aantal van 10 bemanningsleden, exclusief de schipper en de stuurman, kan voor wat betreft Scheveningen en Katwijk als gangbaar worden aangemerkt. De opdeling en de rangen waren als volgt:

  • 1 schipper
  • 1 stuurman
  • 6 matrozen
  • 1 oudste
  • 1 jongste
  • 1 reepschieter
  • 1 afhouder

De schipper en de stuurman waren goeddeels meewerkende leidinggevenden. De matrozen waren volwaardige haringvissers; een oudste kon worden beschouwd als een lichtmatroos, een jongste, een reepschieter en een afhouder als in rang opklimmende leerjongens. De laatstgenoemden hadden aan boord vastomschreven taken. Bij Vlaardingen telde men één oudste meer dan bij de kustdorpen. Voor het overige geldt dat in alle gevallen de bemanning werd uitgebreid met een motordrijver of monteur nadat men was overgeschakeld van de zeillogger op de motorlogger. Die wisseling had plaats tussen de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw.


Persoonlijke instellingen