Stadsrechten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Steden

Stadsrechten waren in het middeleeuwse Europa bijzondere rechten en privileges die aan een plaats werden toegekend.

Hoewel hier vaak meerdere rechten (zoals marktrecht, tolrecht en het recht om stadsmuren te bouwen) onder worden verstaan, ging het in essentie op het recht van de stad op eigen rechtspraak. Aan burgers werd het recht verleend hun zaak te bepleiten voor een rechtbank van "gelijken" in plaats van onderworpen te zijn aan het recht van de landheer. Feitelijk is er dus sprake van stadsrecht en niet van stadsrechten. In een afzonderlijk privilege kon ook het recht op wetgeving (keur) worden verstrekt en het recht om eigen schout en stadsbestuurders te benoemen. Stadsrechten waren een fase in de ontwikkeling van het juridisch systeem in Europa. Met het verdwijnen van het feodaal stelsel en het toenemende belang van de centrale (rechts-) staat kwam er ook een einde aan het stadsrecht.

Er bestonden vergelijkbare rechten in oude culturen, met name die van Mesopotamië, waar men de kidinnutu kende.

Inhoud

[bewerken] Achtergrond

Al onder de Romeinen verkreeg Nijmegen marktrechten. Vanaf het jaar 1000 werden privileges door landsheren aan nederzettingen verstrekt. Soms in ruil voor geld, soms bewust om stedenvorming te bevorderen. Vanaf het moment dat deze privileges in één keer in een totaalpakket werden aangeboden, spreken we van stadsrechten. Stadsrechten maakten van een nederzetting een aantrekkelijke vestigingsplaats voor kooplieden. Van de economische bloei die hiervan het resultaat was, profiteerde de heer door het heffen van belastingen.

Stadsrechten van Utrecht uit 1122

Deventer is als plaats in de 2de helft van de 8e eeuw ontstaan en werd in 952 in een schenkingsoorkonde van keizer Otto I de Grote als stad aangemerkt.[1] Waarschijnlijk is het eerste charter met stadsrecht voor Deventer in de 1ste helft van de 11de eeuw opgesteld. De stad verkreeg dit recht van de keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Ook de steden die daarop volgden, Groningen, Utrecht en Stavoren verkregen hun rechten rechtstreeks van de keizer. De rechten van de andere Nederlandse steden werden namens hem verleend door feodale heren. Alle steden waren schatplichtig aan deze heren, ze vormden een zeer belangrijke bron van inkomsten voor hen. Er zijn overigens veel plaatsen in Nederland waar het initiatief tot het opstellen van de stadsrechten uitging van de bevolking van die plaats zelf.

De rechten van de oudste of voornaamste stad binnen een gewest (graafschap, hertogdom of bisdom) dienden meestal als voorbeeld voor de rechten van andere steden in dat gewest. Wanneer in de dochterstad juridische onenigheid ontstond, ging men op "stedenvaart" naar de moederstad om daar uitleg van het recht te vragen. Door bestudering van de verschillende stadsrechtcharters heeft men hele “stambomen” hiervan voor de afzonderlijke gewesten van wat nu Nederland is op kunnen stellen.

Vanaf de 13e eeuw werden bepaalde rechten ook los van de heer afgekondigd. De toen opkomende machtige Vlaamse steden, bijvoorbeeld Gent en Brugge waren hier het eerste mee. Landheren probeerden wel zeggenschap te houden op de samenstelling van het stadsbestuur. Het streven van de stad was doorgaans om ook daar volledig vrij in te worden. In later eeuwen was het vaak de geldnood van de landheren, die ertoe leidde dat de steden uitbreiding van hun rechten kochten. Stadsrechten genereerden dus welvaart en welvaart genereerde stadsrechten. Zo wisten diverse steden na verloop van tijd een hoge mate van autonomie te verwerven. Sommige steden wisten zelfs uit te groeien tot stadstaten (zelfs nu vormen Hamburg en Bremen in Duitsland nog aparte Bundesländer). Groningen (met zijn Ommelanden) was tot de Habsburgse machtsovername in dit gewest in 1528 binnen de Nederlanden de stad die het meest naar deze status op weg was. De macht in de staten van de nu Nederlandse en Belgische gewesten lag eind 15e eeuw al in zeer belangrijke mate bij de steden.

De graaf van Vlaanderen verleende in de 12e eeuw stadsrecht aan een aantal plaatsen in wat nu Zeeuws-Vlaanderen is, namelijk Aardenburg, Hulst en Biervliet. Ze waren gebaseerd op de rechten die de stad Atrecht in de loop der jaren met de Graven van Vlaanderen was overeengekomen. De Hertogen van Brabant vormden na de Graven van Vlaanderen als het ware de tweede generatie “stadsrechtverleners” in de Nederlanden, zij namen de rechten van Leuven als voorbeeld. Het Deventer stadsrecht gold als voorbeeld voor alle steden in het Oversticht, en dat van de stad Utrecht voor de andere Stichtse (nu Utrechtse) steden. De Hertogen van Gelre namen de stadsrechten van Zutphen als voorbeeld. De graven van Holland die de laatste generatie “stadsrechtverleners” vormden namen het Leuvense model over.

Deventer en Nijmegen[2] vormen in zeker opzicht een uitzondering binnen de Nederlandse steden. Zij waren aanvankelijk vrije rijkssteden binnen het Heilige Roomse Rijk. Deventer dat in het Oversticht (Overijssel) lag was daardoor niet schatplichtig aan de Bisschop van Utrecht. Het Rijk van Nijmegen was korte tijd tot de inlijving van de stad door de hertog van Gelre in 1247 een stadstaat. Naarmate in de 13e eeuw de macht van de keizer afnam, nam omgekeerd de macht van de lokale heren toe, en stelde deze vrije rijksstedelijke status niet veel meer voor. Beide steden behielden echter wel machtige posities binnen resp. het Oversticht en Gelre. Deventer was tot de vorming van de Republiek 1580 de primus inter pares van de Overstichtse steden.

De Habsburgse machtsovername in de 1ste helft van de 16de eeuw betekende een sterke inboeting van de macht van de steden. Naast de twisten over de vrijheid van godsdienst was de onvrede over het verlies van privileges de belangrijkste oorzaak van de Nederlandse Opstand die rond 1560 geleidelijk uitgroeide tot een echte gewapende strijd. Uiteindelijk leidde deze opstand tot het uiteenvallen van de Habsburgse Nederlanden in de Spaanse Nederlanden (nu België) en de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (Nederland). In de Republiek bezetten de stedelijke elites de machtigste posities in de staten en werd de adel bijna gemarginaliseerd. Ook lagen de regenten geregeld overhoop met de elkaar opvolgende adellijke stadhouders van Oranje-Nassau in Den Haag en Leeuwarden over allerlei staatszaken, met name de financiering van een landelijke strijdmacht.

[bewerken] Rechten

Stadsrechten hadden betrekking op zaken als:

  • Privileges:
    • Stadsmuren: het recht om een muur rondom de stad te bouwen.
    • Marktrecht: het recht om markt te houden (en daarvoor te laten betalen).
    • Stapelrecht: het recht om bepaalde handelsgoederen als eerste te mogen stapelen en verkopen.
    • Tolrecht: het recht om tol te heffen, eigen burgers waren daarvan veelal vrijgesteld wat bijdroeg tot de aantrekkelijkheid als vestigingsplaats.
    • Muntrecht: enkele steden waren vrij hun eigen geld te slaan.
  • Vrijheden:
    • Persoonlijke vrijheid: vaak gold de regel 'Stadslucht maakt vrij'. Men was geen horige meer van de landheer, maar vrij om te gaan en staan waar men wilde.
  • Bestuur:
    • Stadsbestuur: de gegoede burgerij kon soms zelf de bestuurders kiezen die in de stadsraad zitting moesten nemen.
    • Rechtspraak en wetgeving: Binnen aangegeven grenzen was de stad vrij om zelf wetgeving en rechtspraak uit te oefenen. De stad werd hierdoor bestuurlijk uit het omliggende land gelicht waar de wetgeving van de landheer gold. Burgers hadden het recht voor een eigen rechtbank (van "gelijken") te verschijnen. Soms werd echter bepaald dat een nieuwe stad voor zijn rechtspraak was aangewezen op een andere, al langer bestaande, stad.
    • Belastingen: Het stadsbestuur verwierf het recht om binnen de eigen grenzen belastingen op te leggen aan ingezetenen.

Het gebied buiten een stad kon soms landrecht krijgen. Zo kregen Kennemerland en West-Friesland van de graven van Holland een landrecht. Doorgaans gold wel dat stadsrecht voor landrecht ging. Een wigbold was een gebied buiten een stad waar het stadsrecht gold. De benaming kwam voor in Oost-Nederland en sommige Duitse streken. De privileges van marktrecht (engels>markettown) en rechtspraak zonder wetgeving werden ook veelvuldig aan andere plaatsen, dorpen vergeven. Zo kon buiten de steden ook op kleinere schaal gehandeld en rechtszekerheid geboden worden.

[bewerken] Einde van de stadsrechten in de Noordelijke Nederlanden

Met de groei van de centrale staat kwam er langzaam een einde aan het fenomeen van het stadsrecht. In de noordelijke Lage landen werden de laatste stadsrechten feitelijk verleend in 1586 (Willemstad). In de periode van het bestaan van de Republiek verwierf alleen Blokzijl (1672) nog een stadsrecht. Na de Bataafse Omwenteling (1795) werden gemeentes naar Frans voorbeeld vormgegeven en werd het stadsrecht bij wet afgeschaft.[3] Hoewel gedeeltelijk hersteld na 1813 kregen steden niet volledig de bevoegdheden terug die zij voordien bezeten hadden: rechtspraak en wetgeving werden steeds meer een zaak van het centraal gezag. Na de grondwet van 1848 en de Gemeentewet van 1851 is het verschil tussen dorpen en steden definitief komen te vervallen. Lokale (stedelijke) besturen hebben nog veel ruimte voor duidelijk eigen beleid, maar dus wel binnen door het centrale gezag gestelde kaders en voorwaarden. Hoezeer dit gezag zich doet gelden op lokaal nivo blijkt bijv. uit de inwerkingtreding van de zogeheten Financiële-verhoudingswet waarvan de eerste tekst stamt uit 1897 en welke in de loop der jaren meerdere malen is herzien. Deze wet streeft ernaar dat elke Nederlander in elke gemeente (stad) een vergelijkbaar basisvoorzieningenniveau kan verwachten..

Stadsrechten die in het begin van de 19e eeuw nog zijn gegeven (aan Delfshaven in 1825 voor het laatst) zijn niet te vergelijken met die uit de Middeleeuwen en meer symbolisch van aard. Door sommigen worden Den Haag en Assen niet beschouwd als stad, omdat deze plaatsen hun stadsrechten kregen tussen 1810-1813, ten tijde van de inlijving van de Nederlanden bij Frankrijk.

[bewerken] Den Haag

Den Haag is een bijzonder geval, soms wordt deze stad beschouwd als het grootste dorp van Europa, omdat officieel nooit stadsrechten zouden zijn verkregen. Correct is dat niet want Den Haag kreeg stadsrechten in 1806 van koning Lodewijk Napoleon hetgeen werd bekrachtigd in 1811 door keizer Napoleon Bonaparte. Maar ook daarvoor had Den Haag bijzondere rechten verkregen, die het wel degelijk tot een stad maakten:

  • Vanaf 1334 kreeg Den Haag het recht op een jaarmarkt.
  • In 1370 stelde Hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, de grens van het rechtsgebied vast.
  • In 1451 werden de bevoegdheden van schepenen vastgesteld naar voorbeeld van het Leidse stadsrecht. Zo kreeg het een vroedschap, die betrokken was bij de jaarlijkse verkiezing van de schepenen.
  • In 1559 kreeg Den Haag bovendien twee burgemeesters met dezelfde status en rechten als de burgemeesters van de bestaande steden van Holland.
  • In 1795 kreeg Den Haag de status van Stad in de republiek.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe link

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  1. Vermelding als stad (urbs) in een schenkingsoorkonde van keizer Otto I aan het Mauritiusklooster in Maagdeburg, Online versie
  2. De stadsrechten van Aken waren het voorbeeld voor de Nijmeegse; voor Deventer is dit niet bekend
  3. Uit Artikel 25 van de "Staatsregeling" 1798:
    "Alle Tiend- Chijns- of Thijns-, afstervings- en Naastings-Regten, van welke aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het Leenstelsel of Leenrecht afkomstig, en die hunne oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard."
Persoonlijke instellingen