Petrochemische industrie
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De petrochemische industrie is de tak van industrie die zich bezig houdt met de verwerking van aardoliefracties tot diverse chemische producten. Het is in feite de concurrent en opvolger van de steenkoolchemie, die dezelfde stoffen kon leveren maar met behulp
Nadat de ruwe aardolie in een raffinaderij is gesplitst in diverse fracties zoals benzine, kerosine, stookolie en nafta, vormt de petrochemische industrie de bedrijfstak die deze fracties verder verwerkt. Met name de naftafractie, maar ook aromatische verbindingen zoals tolueen, vormen de basis van tal van grondstoffen voor chemische producten zoals monomeren voor de kunststofindustrie.
Producten uit de petrochemische industrie zijn onder andere:
- Grondstoffen (monomeren) voor de polymeren zoals polyetheen, polypropeen en andere kunststoffen,
- Grondstoffen voor de farmaceutische industrie,
- Grondstoffen voor wasmiddelen,
- Grondstoffen voor kunstvezels,
- Grondstoffen voor synthetisch rubber.
Belangrijke petrochemische bedrijven zijn bijvoorbeeld Shell Chemie met onder meer een vestiging in Moerdijk, ExxonMobil Chemical, met vestigingen in Rotterdam en Antwerpen. DSM ontplooide petrochemische activiteiten van 1970-2002.
[bewerken] Geschiedenis
Terwijl het aardolieraffinageproces in feite neerkwam op een fysisch scheidingsproces, werden chemische methoden niettemin belangrijk in de aardolie-industrie bij pogingen om de eigenschappen van de diverse producten, zoals motorbenzine, te verbeteren. Daarnaast vonden in de raffinaderijen in toenemende mate chemische processen plaats, zoals het kraken in 1910, om bepaalde fracties in optimale hoeveelheden te vervaardigen.
Bij dit soort processen, en ook bij de eigenlijke raffinage, kwamen tal van stoffen vrij, waaronder het zogenaamde raffinaderijgas, die geen toepassing hadden en waarvoor men toepassingen zocht maar die tot dan toe afgefakkeld werden Eén van de eerste daarvan was tolueen, waarvoor men tijdens de Eerste Wereldoorlog een "nuttige" toepassing zocht in de vorm van grondstof voor de springstof TNT. In 1920 kwam de eerste commerciële toepassing van een petrochemisch product op de markt, en wel van isopropylalcohol, dat in cosmetica werd toegepast en sedert 1925 als antivries onder de merknaam Petrahol. Uit isopropylalcohol kon ook het belangrijke oplosmiddel aceton op eenvoudige wijze worden verkregen. Uit aardolie verkregen butyl werd sinds 1930 toegepast in rubberproducten. Het bleek mogelijk om allerlei tussenproducten, zoals butadieen, veel eenvoudiger uit raffinaderijproducten te vervaardigen dan voordien mogelijk was langs andere wegen, zoals de steenkoolchemie op basis van steenkoolteer.
In de jaren '60 van de 20e eeuw kwamen de plastics sterk op, en de daartoe benodigde monomeren werden door de petrochemische industrie geleverd, die daardoor een zeer grote vlucht nam. De belangrijkste stof binnen de petrochemie is ethyleen, dat vooral uit nafta wordt verkregen.